Utrechtse Kronieken
sleutels tot de Utrechtse geschiedenis
Uw zoekacties: Kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht
x1006-3 Kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht ( Het Utrechts Archief )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1006-3 Kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht ( Het Utrechts Archief )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
Algemeen
Vóór de reformatie
Na de reformatie
1006-3 Kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht
Inleiding
Na de reformatie
Organisatie: Het Utrechts Archief
In de Unie van Utrecht van januari 1579 werd overeengekomen dat kloosterlingen, katholiek gebleven of reformatorisch geworden ‘hun goederen zouden volgen’, dat wil zeggen: hun rechtmatig aandeel in het vruchtgebruik van de kloostergoederen door alimentatie te allen tijde zouden behouden. *  Een overeenkomst van gelijke strekking werd in de zomer van datzelfde jaar gesloten tussen de Utrechtse stadsmagistraat, de geestelijkheid en de leiders van de gereformeerde religie aldaar. * 
Op 3 maart 1580 besliste Willem van Oranje, als stadhouder van Utrecht, dat in Utrechtse kloosterkerken geen openbare katholieke godsdienstoefeningen meer mochten worden gehouden. Daarna kreeg de reformatie spoedig de overhand in stad en gewest. Op 25 maart eisten de Staten van Utrecht de openstelling van alle kloosters, opdat de religieuzen onbelemmerd van levensstaat konden veranderen. In juni kondigden de Staten een algeheel verbod af op de uitoefening van de katholieke eredienst in het gewest. *  Kort daarop volgde een ordonnantie op de orde en de reformatie van de geestelijkheid en de kerkelijke goederen in 1580. * 
In 1586 eiste Leicester, op advies van de gereformeerde Nationale Synode, dat de kerkelijke goederen aan hun katholieke bestemming zouden worden onttrokken en bestemd voor de opleiding en traktementen van predikanten, schoolmeesters en kosters. Voor de Staten van Utrecht, die sedert 1580 via hun gedeputeerden toezicht uitoefenden op de geestelijke goederen, was dit aanleiding voor de uitvaardiging van een algemeen ‘redressement’ op deze goederen. * 
Dit regelde scherp en definitief de ontbinding van alle kloostergemeenschappen (separatie) in het gewest Utrecht-alleen de vijf adellijke vrouwenconventen en de begijnenkloosters werden op dit punt ontzien-alsmede de overname door de Staten van Utrecht van het beheer van de kloostergoederen. De goederen van de diverse instellingen moesten in een aantal fondsen bijeen gebracht worden, die elk door een afzonderlijke, door de Staten te benoemen rentmeester zouden worden geadministreerd. Naast een algemeen fonds voor de pastorie- en vicariegoederen, broederschapsgoederen en andere gebeneficieerde goederen in de stad Utrecht en elders in het Sticht, werden er vier aparte fondsen ingericht voor de goederen van de mannenkloosters, de begijnenconventen, de vijf adellijke vrouwenkloosters en ten slotte voor het Duitse Huis en het convent van St. Catharijne te Utrecht. Het was de bedoeling was om alle kloosters hun goederenbeheer en inkomsten te ontnemen en blijvend te vervangen door de al eerder ontworpen alimentatieregelingen en de conventualen van hun kloosters te scheiden. Het toezicht van de Staten op de geestelijke goederen werd in handen gelegd van een nieuw in te richten Directiekamer, bestaande uit een drietal Statengedeputeerden, de algemene rentmeester, een secretaris en een deurwaarder.
Bij de behandeling van het redressement van 1586 bleek dat de voorgestelde regeling op bepaalde punten aanpassing behoefde. Zo stelden Utrecht en de andere steden, Amersfoort, Rhenen en Wijk bij Duurstede, dat de administratie van de kloosters in deze steden een zaak van het stadsbestuur ter plaatse diende te zijn - een recht dat Utrecht en Amersfoort ook in de praktijk wisten af te dwingen. Op dezelfde wijze wenste de ridderschap het bestuur aan zich te houden over de adellijke vrouwenkloosters. Als gevolg hiervan werden uiteindelijk niet alle kloosters in het Sticht maar slechts een gedeelte daarvan direct onder bestuur van de Staten gebracht. Daarbij ging het om de abdijen van St. Paulus en Oostbroek, het kartuizerklooster Nieuwlicht en het St. Catharijneconvent, alle gelegen in of bij de stad Utrecht. In een later stadium trokken de Staten ook het bestuur van een drietal vrouwenkloosters aan zich, het Agnietenklooster te Rhenen, het Maria Magdalenaklooster in Wijk bij Duurstede en het klooster Mariënhorst te Soest, alsmede dat van de kapittels van Wijk bij Duurstede en Montfoort.
Bij de uitvoering van het redressement, een zaak waarmee de Statengedeputeerden tot directie van de geestelijke goederen waren belast *  , bleek weldra dat de gedachte van één gemeenschappelijke administratie van alle gebeneficieerde goederen niet haalbaar was. Op grond van het redressement werden weliswaar gezamenlijke fondsen ingericht voor de pastorie- en vicariegoederen en voor de goederen van de abdijen van St. Paulus, Oostbroek en het kartuizerklooster Nieuwlicht, maar reeds na enkele jaren werden deze weer ontbonden. *  In de loop van de jaren negentig werden voor de meeste kloosters afzonderlijke rentmeesters aangesteld, met een eigen kantoor in het Statengebouw aan het Utrechtse Janskerkhof. Ook de voorgenomen separatie kwam in een aantal gevallen pas van de grond, nadat de oude rooms-katholieke kloostergemeenschappen begin zeventiende eeuw grotendeels waren uitgestorven. Dit geldt met name voor de genoemde vrouwenkloosters in Wijk, Rhenen en Soest. De reformatie van het kapittel van Montfoort kon pas volledig worden geëffectueerd nadat de Staten van Utrecht in 1648 alle rechten met betrekking tot de kerk in handen hadden gekregen.
Hieronder zal de ontwikkeling van de diverse conventen in de periode na het redressement van 1586 meer in detail worden besproken.
Kartuizerklooster Nieuwlicht te Utrecht
De opheffing
De archieven
Inventaris
Bijlagen
Specificaties
Priors
N.B. Ontleend aan: H.J.J. Scholtens, ‘De priors van het kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht’, Archief van het Aartsbisdom Utrecht 53 (1929), p. 309-348.
Procurators
Rentmeesters
Concordantie op Catalogus van de archieven van de kleine kapittelen en kloosters (Utrecht 1905)
Kenmerken
Datering:
1346-1811
Toegangstitel:
Inventarissen van de archieven van de kapittels en kloosters onder bestuur van de Staten van Utrecht
Auteur:
C.A. van Kalveen
Datering toegang:
2004
Openbaarheid:
Volledig openbaar
Rechtstitel:
Overbrenging van een overheidsarchief
Omvang:
6 m zuurvrije dozen
Rubrieken:
Categorie:
Archiefvormer(s)::
Archiefvormer Rooms-katholieke kerk, Kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht 1346-1811
Archiefvormer Staten van Utrecht 1375-1813
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS